Een integraal wordt aangegeven met Intg. De onder- en bovengrens worden na Intg tussen accolades vermeld.
Van een primitieve worden de onder- en bovengrens tussen accolades vermeld na de primitieve functie.
De integraal van a naar b van f(x) en zijn primitieve:
Intg{a..b}f(x)dx♦=♦[F(x)]{a..b}
Intg{1/2♦pi..pi}sinxdx
De spatie sluit de breuk 1/2 af.
Intg{-inf..inf}f(x)dx
Een integraal met subindexen in de onder- en bovengrens.
Intg{x_1..x_2}g(x)dx
Een integraal en zijn primitieve:
Intg{1..4}x^2♦dx♦=♦[1/3♦x^3]{1..4}
Een integraal over een volume:
Intg{V}f(x,♦y,♦z)dV