Met indexen worden tekens bedoeld die in de oorspronkelijke formule rechts boven of rechts onder een symbool staan. Er zijn dus bovenindexen en onderindexen. Een bovenindex wordt ook exponent of superscript genoemd. Een onderindex heet ook wel subscript.
Voorbeeld 1 tot en met voorbeeld 5 zijn voorbeelden met eenvoudige boven- en onderindexen. Vanaf voorbeeld 6 zijn de indexen ingewikkelder.
Eenvoudige bovenindex (tot de macht):
3^2♦=♦9
Er staat: 3 tot de macht 2 is 9.
Een spatie sluit de bovenindex af:
3^2♦+♦1♦=♦10
Er staat: 3 tot de macht 2 plus 1. De spatie na de 2 beëindigt de bovenindex. Vergelijk dit met voorbeeld 3.
Een bovenindex met haakjes:
3^(2♦+♦1)♦=♦27
De bovenindex is 2 + 1. De haakjes zorgen dat er staat 3 tot de macht 2 + 1. Vergelijk dit met voorbeeld 2.
Eenvoudige onderindex:
x_1♦=♦7
Spatie sluit de onderindex af:
u_1♦+♦u_2
De spatie na 1 sluit de onderindex van u_1 af.
Een onderindex met haakjes:
x_(n♦+♦1)♦=♦5
De haakjes zorgen dat n + 1 de onderindex is.
Een langere onderindex zonder haakjes:
a_mn♦*♦b_mn
De spatie na mn sluit de onderindex af. In dit geval zijn er geen haakjes nodig.
Een breuk als macht:
9^(1/2)♦=♦3
Er staat negen tot de macht een half. Vergelijk dit met voorbeeld 9.
Voorbeeld 8 zonder haakjes om de macht:
9^1♦/♦2♦=♦4,5
Er staat een breuk met 9 tot de macht 1 in de teller, en 2 in de noemer. De spatie na bovenindex 1 sluit de bovenindex af. Vergelijk dit met voorbeeld 8.
Onderindex binnen de bovenindex:
e^(x_1)♦+♦e^(x_2)