Een breuk bestaat uit een teller, een breukstreep en een noemer.
Het begrijpen van de notatie voor breuken is voor de meeste breuken rechttoe, rechtaan; een breuk met spaties om de breukstreep vraagt enige toelichting.
Een eenvoudige breuk:
3/4
Verschillende schrijfwijzen in zwartdruk voor een half:
1/2 en 1/2 en 1/2
Alledrie de notaties in zwartdruk worden weergegeven als 1/2.
Breuken in een langere expressie:
2♦1/2♦+♦21/2♦=♦13
De spatie tussen 2 en 1/2 zorgt ervoor dat er tweeënhalf staat. Vergelijk dat met 21/2 (zonder spatie) na het plusteken.
Een breuk met haakjes in teller en noemer:
(4♦+♦2)/(4♦-♦2)♦=♦3
De teller en de noemer bevatten allebei een bewerking. Er zijn haakjes nodig om duidelijk te maken wat in de teller staat en wat in de noemer.
Een ingewikkeldere breuk zónder haakjes:
u_n♦/♦v_n
De teller en de noemer kunnen zonder haakjes. De spatie na u_n is nodig om de onderindex n af te sluiten. Daarom worden er spaties om de breukstreep geschreven.
Een breuk met een wortel in de teller:
(sqrt(5♦+♦4))/(6♦*♦3)